woensdag 4 maart 2015

Kijk op bronnen: Wezen en bestedelingen

In het nieuwste nummer van Gen.: Kijk op bronnen. Wezen en bestedelingen
Speciaal voor nota bene@Gen. de geannoteerde versie van dit artikel van Martine Zoeteman-van Pelt


Boeren en kinderen bij een boerderij, ongedateerde prent van J.C. Janson. In het midden een vrouw met vier kinderen, van wie zij één in haar armen houdt. Rechts op de voorgrond een man met een kind aan de leiband. Coll. Rijksmuseum, Amsterdam

Wezen en bestedelingen

Het verhaal dat schuilgaat achter de genealogische feiten doet je soms eeuwen later nog huiveren. Uit primaire bronnen als doop-, trouw- en begraafregisters doemt het op: een moeder die stierf in het kraambed en een vader die nauwelijks een paar jaar later overleed, waarna enkele zeer jonge kinderen als wees achterbleven.

tekst Martine Zoeteman-van Pelt

In zo’n geval komen secundaire bronnen als de weeskamerarchieven in beeld. Daar kwamen die kinderen immers vervolgens terecht. In een weeshuis kregen ze een opleiding en onderdak tot ze op eigen benen konden staan. Elke stad had wel één weeshuis, en soms zelfs meerdere. Maar hoe zat het op het platteland? Daar is veel minder over bekend.

Platteland
Er was slechts een beperkt aantal weeshuizen buiten de steden. Bovendien waren ze over het algemeen veel kleiner.[1] Van de circa 145 weeshuizen tussen 1560 en 1795 stonden er 42 op het platteland.[2] Het merendeel daarvan bevond zich in dorpen in het gewest Holland.[3]
Op het platteland werden kinderen ondergebracht bij andere gezinnen, als zogenaamde bestedelingen. Nu is het begrip bestedeling vrij breed: het betreft iemand die wordt ‘uitbesteed’ in een gezin en daar kost en inwoning heeft. Het gaat dus niet uitsluitend om kinderen. Ik beperk me hier echter tot de jonge wezen.
In eerste instantie zal gepoogd zijn de weeskinderen onder te brengen bij familie; indien dit niet mogelijk was, werden zij uitbesteed. De gezinnen waarin zij werden opgenomen kregen daarvoor een jaarlijkse vergoeding. Hierdoor is zo’n kind ook jaar na jaar te volgen in het archief van de betreffende gemeente.
Als er geen onderhandse regeling kon worden getroffen, kwam er een openbare aanbesteding. Die vond meestal plaats in een publieke ruimte, zoals een herberg of gemeentehuis. De bestedelingen waren daar ‘op zicht’ ook bij. Geïnteresseerden kregen er informatie over afkomst en karaktertrekken van de bestedeling.[4] Later maakte dit plaats voor een openbare inschrijving. [5] Een systeem dat in sommige gemeenten een paar jaar geleden werd heruitgevonden, toen zij de zorg gingen aanbesteden, weliswaar nu geanonimiseerd via internet…
De bestedeling ging naar degene die het laagste bedrag voor de zorg vroeg. Dit behoeft echter nuancering: zo gaf men in het Drentse Gieten weeskinderen niet zomaar mee. Na de aanbesteding overlegde de kerkenraad of ze de kinderen meegaven of niet.[6] Van de besteding werd een contract opgesteld.[7] Op papier bood dit de bestedeling bescherming, maar in de praktijk ging het er niet altijd goed aan toe.

Dorpswezen in de archieven
Ook al was er geen weeshuis in een dorp, dan kon er toch een weeskamer zijn: een college dat zich bezighield met het behartigen van de belangen van wezen. Om dieper op het fenomeen bestedelingen in te gaan, is het weeskamerarchief van een dorp van de Zuid-Hollandse eilanden bestudeerd.[8] Dat dit archief voor ’s-Gravendeel bewaard is gebleven, is zeer prettig, omdat het merendeel van de doop- en trouwboeken voor die plaats ontbreekt.
De termijn van besteding varieerde. In 1652 werden de twee minderjarige weeskinderen van Jan Bastiaens en Lintien Aerts een jaar lang ondergebracht. Willem Jans werd besteed bij Arij Andriesse Aerdoom en zijn zusje Maycke bij Jacob Jans Bour.[9] Een besteding kon na een jaar verlengd worden[10], maar Maycke en Willem veranderden het jaar daarop beiden van gezin, overigens zonder dat de reden daarvan bekend is. Zij werden nu voor zes jaar uitbesteed: Willem naar Sent Cornelisse Bour en Maycke naar Barent Bartholomeusse.[11] Lijsbeth Jacobs Ceuijsmeuijs werd voor drie jaar besteed bij de hiervoor genoemde Arij Andriesse Aerdoom, die blijkbaar vaker bestedelingen in huis opnam.[12]
Het was dus mogelijk dat kinderen uit één gezin uit elkaar werden gehaald en zelfs in andere gemeenten terecht kwamen. Verhuizing naar een ander dorp kwam vaak voor, maar de kinderen die buiten ’s-Gravendeel werden geplaatst, vertrokken waar mogelijk wel naar familie, zoals blijkt uit een besluit van 9 april 1696: ‘Cors Jansse Huijsman, wonende te Zwijndrecht, krijgt te alimenteren Aerijaentje Jans Huijsman, oud omtrent 10 jaar, nagelaten kind van zijn overleden broeder Jan Jans Huijsman.Aert Jansse Huijsman, wonende te Puttershoek, krijgt te alimenteren Arijen Jansse Huijsman,oud omtrent 8 jaar, nagelaten zoontje van voornoemde Jan Jans Huijsman.’[13]
De twee jongste kinderen uit het gezin, van 7½ en 2 jaar, worden wel in ’s-Gravendeel besteed, zij het bij verschillende families.



[1] S. Groenveld, J.J.H. Dekker en Th. R. M. Willemse, Wezen & boefjes. Zes eeuwen zorg in wees- en kinderhuizen (Hilversum 1997) 84.
[2] Groenveld, Wezen, 83.
[3] Groenveld, Wezen, 84.
[4] Groenveld, Wezen, 82.
[5] A. L. Kort, Geen cent te veel: armoede en armenzorg op Zuid-Beveland, 1850-1940 (Hilversum 2001) 152.
[6] Groenveld, Wezen, 82.
[7] Kort, Armenzorg, 152.
[8] Met dank aan Will van Velsen, van de Historische Vereniging ’s-Gravendeel, voor het beschikbaar stellen van haar transcriptie.
[9] Weeskamerarchief ’s-Gravendeel 8; 1652.
[10] Zoals bijvoorbeeld bij WK 's-Gravendeel 9A; 1 juli 1651.
[11] WK ’s-Gravendeel 8; 9 dec. 1653.
[12] WK ’s-Gravendeel 9A; 6 mei 1656. De voogden van de nagelaten weeskinderen van Jacob Aerdts Ceuijsmeuijs zaliger besteden het kind Lijsbeth Jacobs bij Arij Andriesse Aerdoom voor 3 jaar.
[13] WK ’s-Gravendeel 2; 9 apr. 1696.


Martine Zoeteman-van Pelt is onderzoeksmedewerker van het CBG

Geen opmerkingen:

Een reactie posten